Er zijn in totaal vier verschillende categorieën waarin de zaadmengsels voor gebruiksgazon zijn ingedeeld. Deze zijn gebaseerd op het belastingsprofiel, maar ook op standplaatsfactoren en de hoeveelheid onderhoud. Als je vooraf goed nadenkt over wat je toekomstige gazon precies moet kunnen, wordt het veel eenvoudiger om de juiste soort te kiezen. Die keuze beloont je dan voor je vooruitziende blik met weinig onderhoud en een onberispelijk uiterlijk.
Een gemeenschappelijk kenmerk van alle gebruiksgazonmengsels is hun relatief geringe onderhoudsbehoefte. Terwijl sport- of siergras doorgaans één, soms zelfs twee keer per week gemaaid moet worden, is bij sommige gebruiksgazons één maaibeurt per twee weken voldoende. Dit type gazon is dan ook bij uitstek geschikt voor hobbytuiniers die minder onderhoud waarderen. Gebruiksgazon bestaat bovendien uit vrij onveeleisende grassen. Deze vergeven kleine fouten in verzorging en gebruik eerder dan de op prestatie of onberispelijk uiterlijk gefokte grassoorten in sport- en siergras. Als je dus minder waarde hecht aan een perfect bijgehouden, egaal gazonoppervlak maar graag veel werk wilt besparen, ben je met een standaardzaadmengsel voor gebruiksgazon precies aan het juiste adres.
Standaard gebruiksgazon RSM 2.1

De RSM 2.1 is weliswaar al in 2005 ingetrokken als officiële standaard, maar er worden nog steeds graszaden aangeboden en benoemd volgens deze verouderde norm. De reden hiervoor waren nieuwe wetenschappelijke inzichten, die leidden tot een herstructurering van de bestaande indeling. Tot die tijd werd het standaard gebruiksgazon vooral in particuliere tuinen en licht belaste openbare groenvoorzieningen gebruikt. Tegenwoordig wordt voor deze toepassingen voornamelijk het speelgazon RSM 2.3 gebruikt, of speciale zaadmengsels voor droge of schaduwrijke standplaatsen.
Het standaard gebruiksgazon biedt echter nog steeds een lage tot gemiddelde belastbaarheid bij een gemiddeld onderhoudsniveau. Daarbij verdraagt het zeer korte maaihooogtes van twee tot drie centimeter. De RSM 2.1 is daarmee nog steeds geschikt voor oppervlakken waarop siergras door belasting — zoals een zithoek of af en toe een barbecue — niet goed gedijt, maar die ook niet te intensief worden gebruikt.
Vergeleken met de RSM 2.3 is het standaardgazon iets minder slijtvast. Dit komt doordat het uitsluitend bestaat uit Rood zwenkgras (Festuca rubra), Veldbeemdgras (Poa pratensis) en eventueel een klein aandeel gewoon struisgras (Agrostis capillaris). Het snelgroeiende, robuuste en slijtagebestendige Engels raaigras (Lolium perenne), dat het speelgazon zijn uithoudingsvermogen geeft, ontbreekt. Daar staat tegenover dat het standaardgazon door de lagere groeisnelheid van zijn grassoorten minder vaak gemaaid hoeft te worden.
Gebruiksgazon voor droge standplaatsen RSM 2.2
De meeste grassen hebben, vooral in de zomer, voldoende water nodig om te blijven groeien en niet uit te drogen. Als je regelmatig last hebt van bruine en later kale plekken in je gazon, kan het de moeite waard zijn om een grasmengsel te kiezen dat goed bestand is tegen droge omstandigheden. Droogte is echter niet altijd alleen het gevolg van te weinig regen. Zandige bodems kunnen water zeer slecht vasthouden. Het zakt snel weg en de grassen kunnen daardoor slechts een fractie van de neerslag opnemen en benutten. Om ook hier succesvol gras te kunnen kweken zonder de hele bodem te hoeven vervangen, zijn de regelzaadmengsels van groep 2.2 uitermate geschikt.
Het belangrijkste bestanddeel van deze grasmengels is het Rietzwenkgras (Festuca arundinacea). Het heeft, vergeleken met andere grassoorten, vrij brede bladeren en diepgaande wortels, wat het ook zo uitzonderlijk droogtebestendig maakt. De grassoort stelt geen hoge eisen aan zijn standplaats: het groeit zowel op kleiachtige als op humusrijke of zandige bodems. Zelfs af en toe overstroming deert het rietzwenkgras niet, dat bovendien ook nog zeer slijtvast is. Het enige nadeel van de soort is dat het geen bijzonder dichte graszode vormt en met zijn dikke halmen een eerder grof uiterlijk heeft.
Voor een hogere grasdichtheid wordt in gebruiksgazon voor droge standplaatsen niet uitsluitend rietzwenkgras gebruikt. De mengsels bevatten ook steeds een klein aandeel Engels raaigras (Lolium perenne) en Veldbeemdgras (Poa pratensis). Deze zijn weliswaar wat veeleisender, met name wat de watervoorziening betreft, maar ze verfraaien het uiterlijk van het droogtegazon aanzienlijk.

Speelgazon RSM 2.3
Het speelgazon heeft het standaardgazon als meest gebruikte zaadmengsel voor particuliere tuinen, maar ook voor openbare speel- en ligweiden grotendeels vervangen. Het is niet alleen mooi groen, maar ook duurzaam en belastbaar. Daarmee voldoet het speelgazon aan de wensen van de meeste tuineigenaren en valt het bovendien op door een relatief geringe onderhoudsbehoefte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit het populairste type gazon voor tuinen is.
De belangrijkste bestanddelen van het speelgazon zijn:
- Rood zwenkgras (Festuca rubra) in zijn verschillende polvormende en uitlopervormende variëteiten: het zorgt voor een dichte graszode, die de basis vormt van de slijtvastheid van het gazon. Het groeit vergeleken met de andere bestanddelen vrij langzaam en vermindert daarmee de hoeveelheid grasmaaisel.
- Engels raaigras (Lolium perenne) groeit en vertakt snel en vormt eveneens een dichte graszode. Het aandeel zorgt voor het goede regeneratievermogen van het sport- en speelgazon. Omdat het sneller groeit dan rood zwenkgras, levert het meer grasmaaisel op.
- Veldbeemdgras (Poa pratensis) is bijzonder slijtvast en zorgt er dan ook voor dat er door belasting niet al te snel kale plekken ontstaan. Het overleeft bovendien langere droogteperioden en verlaagt daarmee de onderhoudsbehoefte van het gebruiksgazonmengsel.
- Liggend beemdgras (Poa supina) komt niet in alle RSM 2.3-mengsels voor. Het aandeel bedraagt maximaal 5%; het wordt dan bijgemengd om het speelgazon schaduwtoleranter te maken.
Gebruiksgazon met kruiden RSM 2.4
Gebruiksgazon met kruiden heeft een zeer breed soortenspectrum, waardoor het erg onderhoudsarm is. Door de dichte bezetting van het gazonoppervlak met de verschillende grassoorten en kruiden blijft er weinig ruimte voor onkruid. De RSM 2.4 is daardoor robuust en hoeft minder vaak gemaaid te worden (ongeveer vier tot acht keer per jaar) dan een gazon dat uitsluitend uit grassen bestaat. Het gedijt het best op relatief schrale grond, wat ook de behoefte aan regelmatig bemesten vermindert. De kruiden maken ongeveer 20% van het mengsel uit, de rest bestaat uit de gebruikelijke populaire gazongrassen die ook in de andere gebruiksgazonmengsels worden toegepast. Veel gebruikte kruiden zijn:
- Incarnaatklaver, hoornklaver en hopklaver
- Tijm en salie
- Kleine pimpernel en brunel
- Voorjaarsganzerik
- Margriet
- Paardenbloem
- Walstro
- Heideanjer
- Madeliefje
- Duizendblad
Gebruiksgazon met Microclover
Een relatief nieuwe ontwikkeling is het gericht mengen van gazongrassen met witte-klaversoorten. Normaal gesproken is klaver een weinig gewenste gast in het gazon, maar onder de juiste omstandigheden kunnen klaver en gazongrassen van elkaar profiteren. De zogenaamde Microclover betreft uiterst kleinbladige kweekvormen, die het uiterlijk van een gazon verbeteren in plaats van ongewenst op te vallen. Tegelijkertijd profiteert het gazon van de eigenschap van klaver om door symbiose met knolletjesbacteriën de bodem te verrijken met stikstof. Klaver is bovendien buitengewoon robuust en blijft ook in de winter en tijdens langere droogteperioden, wanneer grassen tegen hun grenzen aanlopen, groen en fraai van uiterlijk. Het aandeel Microclover moet ongeveer 5 tot 10% bedragen. Door regelmatig te bemesten en te maaien zorg je ervoor dat de klaver niet de overhand krijgt en zich te sterk verspreidt.